top of page
Zoeken

Vermindering van de steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden - Het Hof van Justitie verklaart nader

  • 5 dagen geleden
  • 3 minuten om te lezen

Krachtens de Europese Landbouwvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 702/2014) kan er steun worden toegekend ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.


Deze steun wordt in bepaalde gevallen gereduceerd tot 50%, m.n. indien geen verzekering is afgesloten voor ten minste 50 % van de gemiddelde jaarlijkse productie of van het gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio. Dit wordt geregeld in artikel 25 van de voornoemde verordening.


In een Waalse zaak ontstond er discussie over of er wel daadwerkelijk een verzekering kon worden afgesloten voor dergelijke risico's. De vraag rees dan ook hoe de toepassing van de bepaling die in de vermindering voorziet in dat geval moet worden toegepast.


Door het Hof van Beroep van Bergen werden de volgende prejudiciële vragen gesteld:


„1)      Artikel 25, [lid] 9, van [verordening nr. 702/2014] bepaalt dat steun om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn te vergoeden voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, met 50 % wordt verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten. Is dit artikel van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België)?

2)      Is de in [artikel 25] opgenomen vermindering van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s waartegen een in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België) verkrijgbare verzekering dekking verleent, ook al bestaan er verzekeringspolissen die andere klimaatrisico’s – die statistisch vaker voorkomen (in casu hagel) – dekken en die het landbouwbedrijf die de steun geniet, had kunnen afsluiten?

3)      Staat die bepaling de betrokken lidstaat toe om steun die bestemd is om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die als een natuurramp wordt beschouwd, niet te verminderen, wanneer de begunstigde van de steun aantoont dat het soort productie van zijn bedrijf (in casu blijvend en tijdelijk grasland alsmede grasgronden bestemd voor het voederen van vee en [niet voor de teelt van] gewassen) in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België) niet kan worden verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen, voor ten minste 50 % van de gemiddelde jaarlijkse productie of van het gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen van zijn bedrijf?”


Het Hof van Justitie beantwoordde deze vragen in haar arrest van 21 mei 2026 als volgt:


1)      Artikel 25, lid 9, van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard

moet aldus worden uitgelegd dat

steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kleine en middelgrote onderneming (kmo) te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, met de helft moet worden verminderd indien deze kmo niet is verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio, in een situatie waarin de betrokken steun bedoeld is om schade te vergoeden als gevolg van een dergelijke weersomstandigheid die, ten eerste, niet onder die risico’s valt en, ten tweede, geen verzekerbaar risico vormt in die betrokken lidstaat of regio.

2)      Artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014

moet aldus worden uitgelegd dat

steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, niet met de helft dient te worden verminderd indien deze kmo geen verzekering heeft kunnen afsluiten die voldoet aan de voorwaarden van die bepaling voor het soort productie van zijn bedrijf, gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt.


Wanneer er dus kan worden aangetoond dat er geen verzekering kon worden afgesloten door de landbouwer in kwestie, dan maakt deze alsnog aanspraak op een volledig steunbedrag.


Het integrale arrest van het Hof van Justitie treft u hier.


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page