top of page
Zoeken

De vervaltermijn van twee jaar voor het instellen van rechtsvorderingen neemt geen aanvang op het ogenblik van het verbreken van een opdracht

3 dagen geleden
2 minuten om te lezen

Over deze vraag kon het Hof van Cassatie zich uitspreken in het arrest van 7 september 2026. De feiten die aan de grondslag lagen was de eenzijdige verbreking van een architectenovereenkomst door het OCMW van Brugge die werd betekend aan de architect op 17 oktober 2013. De architect dagvaardde het OCMW pas op 8 juni 2017 voor de inning van bijkomend ereloon.


Het Hof van Beroep van Gent had geoordeeld dat dergelijke vordering ontoelaatbaar was, gelet op artikel 18, §2, eerste lid, AAV 1996. Het Hof van Cassatie verbrak echter die beslissing en oordeelde als volgt:


Krachtens artikel 18, § 2, eerste lid, AAV 1996 moet iedere dagvaarding voor de rechter op verzoek van de aannemer en met betrekking tot een opdracht, op straffe van verval en onverminderd § 1, aan de aanbestedende overheid worden betekend uiterlijk twee jaren volgend op de datum van betekening van het proces-verbaal van de definitieve oplevering.Krachtens het tweede lid van die bepaling gaat, indien er geen proces-verbaal is opgelegd, die termijn in op datum van de definitieve oplevering.


Het Hof van Cassatie oordeelde dat de beslissing van de overheid om een overheidsopdracht te verbreken geen oplevering inhoudt van die overheidsopdracht en niet kan gelden als het startpunt van de vervaltermijn die overeenkomstig artikel 18, § 2, AAV 1996 van toepassing is op de vordering die de aannemer of dienstverlener wil instellen tegen het bestuur wegens niet-betaling van de vorderingsstaat.


Het volledige arrest treft u hier.


Hoewel het arrest betrekking heeft op de toepassing van de AAV, blijft het relevant voor de interpretatie van de AUR. Artikel 73, §2 AUR luidt namelijk als volgt:


"Iedere dagvaarding voor de rechter op verzoek van de opdrachtnemer en met betrekking tot een opdracht wordt, op straffe van rechtsverval en onverminderd paragraaf 1, aan de aanbesteder betekend uiterlijk dertig maanden volgend op de datum van betekening van het proces-verbaal van de voorlopige oplevering. Wanneer de dagvaarding evenwel zijn oorsprong vindt in feiten of omstandigheden die zijn opgedoken tijdens de waarborgperiode, moet deze op straffe van rechtsverval worden betekend uiterlijk dertig maanden na het verstrijken van de waarborgperiode. Indien het opstellen van een proces-verbaal niet is opgelegd, neemt de termijn een aanvang vanaf de definitieve oplevering."


Benieuwd of dit in een volgende versie van de AUR wordt aangepast.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page