Ook (een bijlage bij) het gunningsverslag moet worden overgemaakt bij overheidsopdrachten, zo niet kan de schorsing van de gunningsbeslissing bekomen worden
BIj het gunnen van een overheidsopdracht wordt er voorafgaand aan de beslissing in de meeste gevallen een gunningsverslag opgesteld waarin de motieven worden opgenomen om de opdracht aan de ene en niet aan de andere partij te gunnen. Wanneer er in de gunningsbeslissing louter verwezen wordt naar de motieven van het gunningsverslag, dan dient dit ook te worden overgemaakt aan de inschrijvers aan wie de opdracht (niet) gegund werd. Dit geldt ook voor de bijlagen waarin er motieven worden opgenomen bijvoorbeeld bij de beoordeling van de gunningscriteria.
Wanneer dat niet gebeurt, dan is er volgens de Raad van State sprake van een schending van de formele motiveringsplicht.
De Raad van State oordeelde in het arrest van 21 september 2026, nr. 267.754 hierover als volgt:
De formele motiveringsplicht impliceert voorts dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan die doelstelling is voldaan indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd, met name wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken. Een dergelijke motivering door verwijzing dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Vooreerst moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid.
Het feit dat die schending slechts het gevolg is van het niet meedelen aan de verzoekende partij van de bijlage waarin de motivering was opgenomen, impliceert niet dat het vastgestelde gebrek de regelmatigheid van de bestreden beslissing zelf niet aantast. De kennisgeving van die bijlage was immers een noodzakelijke voorwaarde opdat de bestreden beslissing, waarin verwezen wordt naar het gunningsverslag waarvan de betrokken bijlage deel uitmaakt, afdoende gemotiveerd zou zijn.
Bovendien gaat de verwerende partij eraan voorbij dat volgens artikel 15 van de wet van 17 juni 2013, gelezen in samenhang met artikel 14 van die wet, de Raad van State de tenuitvoerlegging van “beslissingen van de aanbestedende instanties” kan schorsen “op verzoek van elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht […] te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partij met kennis van zaken haar verzoekschrift heeft kunnen redigeren zodat haar het belang bij dit middel in het kader van de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden ontzegd.
Ook de mededeling van deze motieven via de neerlegging van het administratief dossier, dus nadat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State reeds werd ingediend, belet niet dat de Raad van State in het kader van de onderhavige schorsingszaak het middel ernstig bevindt, aangezien die mededeling pas na het verstrijken van de beroepstermijn plaatsvond. De formelemotiveringsplicht beoogt de betrokkene in staat te stellen om te oordelen of hij zich op het stuk der motieven zinvol in rechte kan verweren, hetgeen in de regel betekent dat een verzoekende partij over de motieven van de beslissing moet kunnen beschikken, vooraleer zich in rechte te voorzien. Te dezen heeft de verzoekende partij niet de gelegenheid gehad om in haar verzoekschrift de motivering met betrekking tot het tweede en derde gunningscriterium inhoudelijk te betwisten, terwijl nochtans het verzoek tot schorsing alle middelen dient te bevatten die een schorsing kunnen rechtvaardigen."
Het arrest kan hier worden geraadpleegd.




Opmerkingen